Voorschrift 21 Begripsomschrijvingen
Internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972
a Onder „toplicht” wordt verstaan een wit licht, geplaatst in het midscheepse vertikale vlak in langsrichting, dat ononderbroken schijnt over een boog van de horizon van 225 graden en zo is aangebracht dat het schijnt van recht vooruit tot 22,5 graden achterlijker dan dwars aan elke zijde van het schip.
b Onder „boordlichten” wordt verstaan een groen licht aan stuurboordszijde en een rood licht aan bakboordszijde, die elk ononderbroken schijnen over een boog van de horizon van 112,5 graden en zo zijn aangebracht dat zij schijnen van recht vooruit tot 22,5 graden achterlijker dan dwars, elk aan hun zijde. Bij een schip met een lengte van minder dan 20 meter mogen de boordlichten worden gecombineerd in één lantaarn, gevoerd in het midscheepse vertikale vlak in langsrichting.
c Onder „heklicht” wordt verstaan een wit licht, geplaatst zo dicht mogelijk bij het hek als uitvoerbaar, dat ononderbroken schijnt over een boog van de horizon van 135 graden en zo is aangebracht dat het schijnt van recht achteruit over 67,5 graden naar elke zijde van het schip.
d Onder „sleeplicht” wordt verstaan een geel licht met dezelfde kenmerken als het „heklicht”, omschreven onder (c) van dit voorschrift.
e Onder „rondom zichtbaar licht” wordt verstaan een licht dat ononderbroken schijnt over een boog van de horizon van 360 graden.
f Onder „schitterlicht” wordt verstaan een licht dat schittert met regelmatige tussenpozen met een frequentie van 120 schitteringen of meer per minuut.