2 Seinen voor treilers
Internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972
a Schepen met een lengte van 20 meter of meer, bezig met de uitoefening van de treilvisserij, ongeacht of zij een bodemtreil of een pelagische treil gebruiken, dienen te tonen:
(i) bij het uitzetten van de netten: twee witte lichten, het ene loodrecht onder het andere;
(ii) bij het binnenhalen van de netten: een wit licht loodrecht boven een rood licht;
(iii) wanneer het net vastzit aan een obstakel: twee rode lichten, het ene loodrecht onder het andere.
b Elk schip met een lengte van 20 meter of meer, bezig met de uitoefening van de treilvisserij in span, dient te tonen:
(i) des nachts, een zoeklicht naar voren gericht en in de richting van het andere schip van het span;
(ii) bij het uitzetten of binnenhalen van hun netten of wanneer hun netten vastzitten aan een obstakel, de onder (a) voorgeschreven lichten.
c Een schip met een lengte van minder dan 20 meter, bezig met de uitoefening van de treilvisserij, ongeacht of het een bodemtreil of een pelagische treil gebruikt, dan wel bezig met de uitoefening van de treilvisserij in span, kan de in letter a. of b. van dit punt voorgeschreven lichten tonen, al naar gelang het geval.