9 Horizontale sectoren
Internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972
a (i) Boordlichten zoals aangebracht op het schip dienen in de richting recht vooruit de vereiste minste lichtsterkte te hebben. De lichtsterkte moet zodanig afnemen, dat tussen 1 en 3 graden buiten de voorgeschreven voorste sectorgrenzen vrijwel geen licht meer waarneembaar is.
(ii) Voor heklichten en toplichten en voor boordlichten bij 22,5 graden achterlijker dan dwars dienen de vereiste minste lichtsterkten te worden gehandhaafd over de boog van de horizon tot 5 graden binnen de in voorschrift 21 voorgeschreven sectorgrenzen. Vanaf 5 graden binnen deze voorgeschreven sectorgrenzen mag de lichtsterkte afnemen met 50 percent tot aan de voorgeschreven sectorgrenzen; zij dient daarna geleidelijk af te nemen en wel zodanig, dat bij niet meer dan 5 graden buiten de sectorgrenzen bij 22,5 graden achterlijker dan dwars vrijwel geen licht meer waarneembaar is.
b (i) Rondom zichtbare lichten dienen zo te worden aangebracht dat zij niet door masten, stengen of scheepsdelen over een boog van meer dan 6 graden worden afgeschermd; lichten, voorgeschreven in voorschrift 30 voor ten anker liggende schepen, behoeven evenwel niet op een onredelijke hoogte boven de romp te zijn aangebracht.
(ii) Indien het niet uitvoerbaar is aan letter b) i) van dit punt te voldoen door slechts een rondom zichtbaar licht te tonen, dienen twee rondom zichtbare lichten te worden gebruikt, die op passende wijze zijn geplaatst of afgeschermd zodat zij, voor zover uitvoerbaar, op een afstand van een mijl als één licht toeschijnen.